Lieve kleine grote schat,

Het is zover. Jij bent beneden, in de operatiekamer en ik zit op jou te wachten, hier in het VUmc, naast jouw lege bed. Ik zou naar het restaurant kunnen gaan, maar ik krijg geen hap door mijn keel. De adrenaline doet mijn hart bonzen. Ik wil niemand zien. Ik wil alleen maar aan jou denken, alsof ik daarmee wat er eventueel mis kan gaan, kan bezweren.

Ze zijn alweer een half uur met je bezig. De eight-plate surgery moet ervoor zorgen dat je benen uiteindelijk weer rechter groeien, zodat je pijnloos kunt opstrekken, beter kunt staan, makkelijker kunt lopen.

Waarom ben ik zo emotioneel? Ik voel me normaal gesproken sterk, tevreden met hoe het leven nu is. We hebben – ieder afzonderlijk- als gezin een draai gemaakt en zijn er sterker uitgekomen.

Ik probeer rationeel te denken: ze komen niet in de buurt van vitale organen. Dit is nu, toen was toen. En echt, ik heb vertrouwen in de ervaren arts. En toch… het is alsof het gisteren was. Alles komt weer boven. Twaalf jaren uitgewist. De darmperforatie, je open buikwond, de bloedvergiftiging, de hersenvliesontsteking, de vele uren dat het kantje boord was. De woorden hersenbeschadiging, rolstoel, zal nooit….kan nooit…

Misschien komt het omdat ziekenhuizen nu eenmaal zijn zoals ze zijn: met zoemende deuren die automatisch openen, het harde licht, de weeïge ziekenhuisgeur en de wetenschap dat je er niet voor niets rondloopt.

Heel mijn lijf komt in opstand. Het liefst ren ik naar buiten. Frisse lucht. Ademen. Weg. Maar ik blijf in de buurt, dicht bij jou. Want als jij knokt, knok ik. En als jij niet kan knokken, knok ik harder.