‘Welk dier komt qua DNA het dichtst in de buurt van een Blauwe vinvis?’ vraagt Jay aan tafel.

Jeetje, ik prik in kip madras, geen idee. Een dolfijn? Een walvis? Het blijkt een nijlpaard te zijn.

Van het één komt het ander, we nemen om beurten een dier in gedachten. De ander moet door vragen te stellen die alleen met ja of nee mogen worden beantwoord, erachter komen welk dier.

We worden er melig van, hoe zat het ook al weer met amfibieën, kan een geit zwemmen, komt een lynx voor in Europa? Is een pelikaan een roofdier?

 

Het leukst is het, om elkaar op het verkeerde been te zetten. Een haas: kan hij vliegen? Ja hoor (hij kan sprongen van 3 meter maken, dat noem ik vliegen). Een vogelbekdier: legt eieren, maar is toch een zoogdier, heeft een snavel maar geen veren….kom daar maar eens achter.

Nadja slaat ons gade en lacht even hard mee. Zou ze het begrijpen?

‘Doe je mee?’ vraag ik.

Vragen stellen blijkt moeilijk, een dier verzinnen lukt wel. Op de vraag: ‘ Is het een boerderijdier?’ is het antwoord steevast ‘Ja.’ Logisch, het valt binnen haar belevingswereld. Maar vergis je niet, ze weet ons te overtroeven met haar lang getwijfelde antwoorden en haar pokerface.

Ik had Jay zo door, toen hij op mijn vraag of het een schattig dier was, antwoordde met:

‘Jaaa, superschattig.’

‘Een panda,’ riep ik.

‘Hoe kan je dat nou weten?’ baalde Jay.

 

Nee, dan Nadja. ‘Heeft hij haar?’ Nadja leunt met haar kin op haar hand, kijkt omhoog: ‘Ja.’

‘Krijgt hij veel kindjes?’ ‘Ja’, (tja, wat is veel).

‘Kan hij hard lopen?’ Zelfverzekerd: ‘Ja!’

‘Legt hij eieren?’ Het blijft lang stil. ‘Nee,’ zegt ze uiteindelijk.

‘Is hij bruin? Zwart? Blauw?’ Jay probeert haar uit. Ze blijft onverstoorbaar: ‘Ja.’

Blauw? Echt?

Bleek het een koe te zijn. We hadden laatst in de kinderboerderij nog opgemerkt dat koeien blauwige tongen hebben. Nadja krijg je niet gek hoor.

Dolle pret.