Ik ben aan het wandelen met Nadja. Onderweg wijs ik haar op van alles: ‘Kijk een meerkoet, weet je wat voor geluid die maakt?’ Ik trek een blad van een rietstengel en blaas erop. Ik wijs haar op de straat waar we vroeger woonden en laat haar zelf een bolletje zaadjes van de paardenbloem wegblazen. We ruiken samen aan een boterbloem, die nergens naar ruikt en vergelijken het met de weegbree.

Dan wijst Nadja zelf ergens naar: ‘Een vlag!’. Ja, we zien overal vlaggen. Nadja vindt het maar gek: ‘Het is toch geen Koningsdag?’

Bij een rijtje huizen met vlaggen blijf ik staan. ‘Kijk,’ zeg ik, ‘zie je dat de vlaggen niet helemaal bovenaan hangen, maar halverwege de stok?’ Ze moet even goed kijken, maar dan ziet ze het. Ik leg uit dat je de vlag uithangt als het feest is, maar soms ook als er iets is waar we met zijn allen goed over na moeten denken. En dat we op 4 mei de vlag halfstok hangen om aan alle mensen te denken die heel hard gewerkt hebben om ons land zo mooi te maken. Nadja kijkt me aan, of ze me helemaal begrijpt weet ik niet.

‘Een hele tijd geleden, toen opa Teun nog klein was, hebben hier heel veel mensen gevochten,’ probeer ik. ‘En dat was natuurlijk niet leuk. Een heleboel mensen hebben toen geprobeerd de ruzie te stoppen, zodat het weer rustig en gezellig werd hier. Vanavond, om precies acht uur zijn we met zijn allen twee minuten stil om die mensen te bedanken en eventjes aan ze te denken. En morgen gaat de vlag helemaal bovenin, want dan vieren we dat het hier nu zo fijn en rustig is.’

Dat van die twee minuten begrijpt ze wel. ‘Afkoelen,’ zegt Nadja. ‘Net als op school. Als je boos bent laat de juf je soms even nadenken op de gang.’

Precies. En dat is wat we vanavond gaan doen en blíjven doen: twee minuten nadenken, om te blijven herinneren hoe het was en nooit meer mag zijn.