De oprijplaten liggen zoals altijd klaar bij de voordeur, die op een kier staat. Met de grotere rolstoel is het drie keer steken om in de smalle gang de haakse hoek naar links te maken naar de wachtkamer.

‘Even wachten,’ zegt Nadja berustend. Ze benoemt de verschillende kleuren van de stoelen die tegen de wand staan opgesteld. ‘Oranje, groen én geel en blauw, dat zijn mijn lievelingskleuren.’

Die laatste toevoeging komt er steevast achteraan, ondanks dat ik niemand in haar omgeving kan noemen die dat niet al weet.

Dan staat tandarts Snoep in de deuropening. ‘Zo, jij bent groot geworden, ik herken je haast niet,’ zegt hij tegen Nadja. Ze lacht, rolt naar hem toe en steekt haar hand uit.

Snoep. Zo grappig voor een tandarts. Ik fantaseerde erbij dat de familie Snoep generaties lang tandartsen had voortgebracht, maar dat bleek niet waar. Rob Snoep is de eerste.

Ik help Nadja in de tandartsstoel, haar armen schieten onwillekeurig de lucht in, tandarts Snoep draait snel de grote lamp boven de stoel weg.

‘Het gaat goed met jouw tanden, Nadja,’complimenteert hij haar. Ze laat zich inderdaad beter poetsen. Peutertandpasta gemengd met de juniorenpasta, liggend op haar rug, want dan is ze het meest stabiel.

Hup, stoel weer uit, door naar de volgende kamer. Ze helt gevaarlijk achterover als ze vanuit de tandartsstoel op de voetenplank van de rolstoel gaat staan om daarna de draai te maken om weer te gaan zitten. Ik hou haar onder haar oksels tegen.

‘Naar Tineke,’ zegt Nadja.

Bij de mondhygiëniste krijgt Muis een prominente plek op het spoelbakje. Uit voorzorg plaatst Tineke een bijtgum tussen Nadja’s tanden, terwijl ze ze één voor één naloopt. ‘Nu je lachtanden,’ zegt ze terwijl ze Nadja’s bovenlip omhoog duwt. Ze praat haar er rustig doorheen, meegaand in haar belevingswereld.

Krrr, krr, krr: geslaagd, denk ik, zoals in de advertentie van het leger. De mensen bij Snoep begrijpen hoe het werkt.

Met een ‘tot over een half jaar,’ nemen we afscheid.

Nadja lacht haar lachtanden bloot.