Zondag 11 november, 12.15 uur. De deurbel gaat. Ik ben boven aan het rommelen, loop nog in mijn joggingpak en heb helemaal geen zin om open te doen.

De deurbel gaat nog een keer. Ja, ja, oké, ik kom al.

Op de stoep staat een meneer met een roos in zijn hand. Hij kijkt me vriendelijk aan en zegt: ‘Mag ik u omdat u mantelzorger bent deze roos aanbieden namens de Protestantse Gemeente Leiderdorp?’

Al jaren krijg ik zo’n roos en ik neem hem altijd ietwat beschaamd in ontvangst.

Ik denk bij het woord mantelzorger altijd aan iemand die voor een zieke oudere zorgt. Ik ben Nadja’s móéder, natúúrlijk zorg ik voor haar! Dat vind ik geen verdienste. Omdat ik het gevoel heb, dat ik er dus eigenlijk geen recht op heb, zet ik de vaas met de roos erin zelfs altijd een beetje apart. Maar het zijn sterke rozen, ze staan lang! 

Dit jaar google ik naar de definitie van mantelzorger: langdurige zorg door een naaste voor een chronisch zieke, gehandicapte of hulpbehoevende.

Tja.

Is het daarom dat de roos me toch ook ontroert? Dat mijn tranen hoog zitten als ik hem in de deuropening aanneem? Want ieder jaar is het een moment waarop ik er even bij stilsta: ja, onze gezinssituatie is bijzonder.  

Nu staat de vaas pontificaal in de zithoek, met de krulversiering aan de hals van de vaas. Als vrolijke noot, want: voor het eerst zie ik de roos als kado waar ik zonder voorbehoud blij mee mag zijn.