‘Zondag, maandag, dinsdag, woensdag…’ Nadja wordt wakker en ligt op haar rug met haar vingers in de lucht de dagen te tellen. Vanaf de eerste vakantiedag telt ze iedere morgen af tot ze weer naar school kan.

Meestal gaat ze in langere vakanties een aantal dagen naar het logeerhuis, maar nu stond er zoveel op het programma (Kerst, partijtje, verjaardag, Oud en Nieuw) dat ik dacht: genoeg drukte en gezelligheid. 

‘Wat gaan we morgen doen?’ is steevast de vraag als ik haar naar bed breng. Op de kalender wordt alles genoteerd, van wanneer opa komt, tot wanneer ze naar de kapper gaat of een frisse neus gaat halen. Als ik haar tijdens de boswandeling een warme chocomelk met slagroom beloof, springt ze bijna uit de rolstoel van blijdschap. Om vervolgens met de choco nog voor haar neus weer te vragen: ‘Hoe laat gaan we naar huis? Ik moet Beer en Pop ‘doen’ (lees: Beer en pop moeten op het potje, in bad en naar bed). 

Ach, ze schikt zich en geniet ook wel, maar dat ze maandag 7 januari eindelijk juf Caroline en Nafiso weer zal zien, benoemt ze keer op keer.

Als we in de kinderboerderij spontaan Nafiso en haar familie tegenkomen, is de verrassing zó groot dat ze bijna moet huilen. ‘Nafiso, Nafiso,’ zucht ze en pakt haar hand.  

Het dagje Plaswijck, een keer paardrijden, haar over-de-top kerstoutfit, het is allemaal leuk en fantastisch, maar geluk zit hem vaak in de eenvoud.

Nog elf dagen, dan mag ze weer naar school.