Ik lees Nadja voor uit Nijntje in het ziekenhuis. Nijntjes amandelen moeten worden geknipt en in het verhaaltje krijgt ze een prik. Nadja zit aandachtig te luisteren.

‘Ik ook prikje in ziekenhuis’.

Ja kind, denk ik bij mezelf wat heb jij veel prikken gehad! In de eerste drie maanden van je leven zó veel dat ze geen ader meer konden vinden en ik wel eens een co-assistent bij je heb weggestuurd die zat te oefenen op een ader in je voorhoofd. Maar goed, dat terzijde.

‘Ik ook pijn in mijn keel.’

‘Nee’ leg ik uit, jij had pijn in je buik. Ik bedenk me dat we het er nooit over gehad hebben samen. ‘Kijk’ zeg ik en trek mijn t-shirt een stukje omhoog. ‘Dit is mama’s buik. En hoe ziet jouw buik eruit?’ Nadja trekt haar pyjama omhoog en kijkt naar het horizontale litteken onder haar navel. ‘Jij had zo’n pijn in je buik dat de dokter even in je buikje moest kijken. Je kreeg een prikje zodat je ging slapen en er niets van voelde.’

Nadja lijkt het allemaal heel normaal te vinden. ‘En toen ging ik weer zitten?’ vraagt ze met kinderlogica.

‘Nou, je was nog een baby en zo klein, je kon nog niet zitten. (Gelukkig ben ik vergeten hoe lang het duurde voordat peuter Nadja een soort van zat)

‘Baby?’ Daar moet ze even over nadenken, dat zij een baby is geweest.

‘Jay is ook een baby geweest. Jullie zijn allebei in mijn buik gegroeid. Ik had een hele dikke buik. We waren heel blij toen jullie geboren werden. Zó blij!’ Ik maak een gebaar tot aan de hemel.

‘Ja?’

‘Ja.’

‘Nu groot. Heel sterk.’ Nadja laat haar spierballen zien.

‘Ja’ zeg ik. ‘Je bent nu heel sterk. Niet alleen hier (ik wijs naar haar spierbal) maar ook daar (ik wijs op haar voorhoofd). Maar dat leg ik je misschien een andere keer uit.’

Ze vraagt niets. Misschien weet ze het zelf.