Sproeten

Ik lees een verhaaltje voor van Jip en Janneke. Het gaat over picknicken. ‘Weet je wat dat is, picknicken?’ vraag ik. Maar Nadja heeft haar aandacht er niet bij. Gefascineerd zit ze me vanaf de zijkant te bekijken. Met haar vinger tikt ze op mijn sleutelbeen.
‘Brrr,’ speel ik mee. ‘Zit daar soms een spinnetje?’
Nadja laat zich niet afleiden. ‘Wat is dat?’ vraagt ze, terwijl ze in mijn vel priemt.
Ik kijk naar beneden. ‘Dat is een sproetje.’ Moedervlek heb ik altijd al een lelijk woord gevonden. Komt door ‘vlek’ hè, alsof het iets vies is.
Nadja probeert het woord uit te spreken. De S is moeilijk. ‘Poetje?’
‘Ja, stipjes, vlekjes. Kijk, daar nog één, en daar…’
Nadja onderzoekt me aandachtig. Ik laat haar even begaan. Onze benen bungelen naast elkaar over de rand van haar hoog/laag bed.
‘Jij hebt er ook een paar,’ zeg ik en wijs naar haar bovenbeen die onder haar nachtjapon uitsteekt. Ze kijkt er ernstig naar, alsof ze niet goed weet wat ze ervan moet vinden. ‘Het is niet erg hoor,’ stel ik haar gerust. ‘Het staat gewoon gezellig.’
‘Oww.’ Ze kijkt me dankbaar aan.
Dan wijst ze op haar nachtjapon: ‘Kijk! Ook poetjes!’ Ze begint de nopjes op haar nachtjapon te tellen.
Ik kriebel met mijn wijsvinger over haar bovenbeen en duw haar nachtjapon iets omhoog.
‘Niet doeeen,’ niet spinnetje!’
‘Maar kijk Nadja, je onderbroek heeft ook sproetjes.’
Ze moet lachen en begint opnieuw te tellen.
‘Ja, ho eens even,’ zeg ik quasi streng. ‘Ik was aan het voorlezen!’
Langzaam komt de aandacht terug bij het boekje. We lijken zelf wel Jip en Janneke.