Poes Sientje bedelt tijdens het avondeten om een stukje kip. Miauwend zit ze naast Nadja’s rolstoel. Nadja houdt een worteltje omhoog.

‘Sientje lust geen groente hoor,’ zegt Jay. ‘Weet je dat Sientje familie is van de tijger?’

Nadja kijkt naar Sien. ‘Groene ogen,’ zegt ze.

‘Ja, Sien heeft groene ogen,’ herhaalt Jay. ‘Dat groene heet iris.’

‘Hee,’ zegt Nadja: ‘Iris!’ Ze kijkt me verrast aan. Ik weet dat ze op oppasmeisje Iris doelt.

‘Néé,’ zegt Jay en begint een uitleg over een iris en een pupil.

Nadja kijkt haar broer aandachtig aan.

 

Jay doceert verder: ‘Ook al lijken alle tijgers of ogen op elkaar, toch zijn ze allemaal uniek. Daarom zijn er ook iris-scanners. Van iedereen is er maar één, snap je dat? We hebben allemaal een neus, ogen en oren en toch zijn we allemaal anders.’

‘Ja,’ zegt Nadja. ‘Ík hou van dansen.’

‘Precies,’ zegt Jay. ‘En ik niet.’ Hij vervolgt zijn betoog met dat ook bloemen en planten DNA hebben en dat we voor de kringloop elkaar nodig hebben.

Nu haakt Nadja af. ‘Mag ik dit morgen weer aan?’ vraagt ze aan mij.

Jay praat door over dat de pitjes en zaadjes van bloemen en planten door vogels en insecten worden verspreid. ‘Vogels poepen de zaadjes uit,’ zegt hij ‘en dan komen er weer nieuwe plantjes.’

‘Ieuww’ zegt Nadja.

‘Nou, weet je wat ik pas ‘ieuw’ vindt?’ zegt Jay.

‘Euh, nee,’ kom ik tussenbeide, bang dat hij over haar luiers begint.

‘Dat jij, Nadja,’ gaat Jay stoïcijns verder, ‘je volledige peuterhandje ooit in de bek van een karper stopte!’ Hij doet vervolgens na hoe dat eruit zag.

Het lesje over flora en fauna eindigt in de slappe lach.