Nadja komt uit de taxi. Aan heel haar houding zie ik al: die is chagrijnig. Ik zet me schrap, mij krijgt ze niet gek, vandaag blijf ik kalm en rustig. En ja, dat is best een uitdaging voor me. Ik heb niet zo veel geduld, wat dat betreft spiegelt Nadja mij de laatste tijd behoorlijk.

Dus, ik reageer laconiek als ze haar jas niet wil uitdoen en een half uur lang met haar hoofd op haar rolstoelblad ligt te huilen dat ze een fixatievestje wil. Dat is letterlijk wat het woord zegt: een vestje die het kind in de rolstoel rechtop houdt. Niet nodig voor Nadja en geen idee waarom ze dit ineens wil.

Uiteindelijk trekt ze zich met jas en al terug in haar kamer en wordt het stil. So far so good.

Dan roept ze me. Ze is vanuit de rolstoel op haar bed geklommen. Ze heeft de tillift naar zich toegetrokken, de banden zitten onder haar benen, alleen, de kap waar het motortje onder zit, is losgeschoten en bungelt voor haar neus. Grrr, zonder tillift kunnen we echt niet. Ik spreek haar helder maar rustig toe dat het geen speelgoed is.

Dan repareer ik de boel en zet haar weer in de rolstoel.

Ze wil chips. Ik pak een bakje en doe de chips erin, maar dat was niet de bedoeling, ze wil het uit het zakje eten. Onverstoorbaar dirigeer ik haar terug naar haar kamer. Nog voor ik de deur dichtdoe, hoor ik hoe ze het bakje uit nijd op de grond gooit. ‘Nu ligt het op de grond. Succes,’ zeg ik opgewekter dan ik me voel. Ik pak de stofzuiger en schuif hem haar kamer in. ‘Zelf opruimen graag.’ Vervolgens hoor ik 20 minuten het irritante zoemgeluid van de stofzuiger. Ik adem in en uit. Ik ga dit opvoedkundig juist doen. Ik ga het volhouden.

Ze komt de keuken ingerold. ‘Mama, wil jij me morgen naar school brengen?’ Euh nee, mama gaat morgenochtend sporten en de taxi rijdt niet voor niets. ‘Donderdag dan?’ Zucht. Oké oké, ik beweeg met haar mee. ‘Als jij me goed helpt met aan- en uitkleden,’ onderhandel ik.

‘Oké, goed,’ zegt ze.

Ze kijkt naar het aanrecht. ‘Wat eten we?’

‘Rijst met kip en groente.’

‘Ik hou niet van rijst.’

Dat is nieuw.

‘Mag ik macaroni?’

‘Nee. Dan eet je maar alleen groente en kip.’ Ja zeg, ik ga niet voor iedereen apart koken.

 

Ze eet langzaam, tergend langzaam. Het toetje wil ze met een grote lepel eten, niet handig aangezien het in een klein bakje zit. Ze zet de lepel in het bakje en laat los. Het bakje kukelt op de zijkant, de aardbeienyoghurt verspreidt zich over het tafelblad.

Stiekem kijk ik op de klok. Ernaast hangt het briefje wat ze me gisteren uit school gaf. Ze is vaak ook zó lief…

Nog een uurtje, dan ligt ze.

Hopelijk.