Met een bedrukt gezichtje zit ze in het grote ziekenhuisbed, Nadja’s beste vriendinnetje Nafiso van school. Ik zie Nadja schrikken. Dit is niet het vrolijke vriendinnetje dat kan hikken van de lach.

‘Gaat het?’ vraagt ze, terwijl ze haar rolstoel naast het bed manoeuvreert.

‘Ik heb pijn, mijn rug voelt zwaar.’

Dat is niet onlogisch, het meisje heeft een scoliose-operatie ondergaan, er zitten allemaal plaatjes in haar rug.

Ze houden elkaars hand vast. ‘Ik heb jou gemist, Nadja,’ zegt Nafiso lief.

Nadja geeft één voor één de kadootjes die ze heeft meegebracht. ‘Wat veel,’ zegt Nafiso beleefd, maar haar gezichtje blijft gesloten. De zelfgemaakte appeltaart hoeft ze niet. ‘Geen trek.’

‘Ik heb ook iets voor jou.’ Moeizaam gaat ze rechterop zitten en haalt een perfect ingekleurde prinsessentekening tevoorschijn. Met potlood schrijft ze erop: ‘voor Nadja’.

‘Hoe gaat het met lopen?’ vraagt ze geïnteresseerd aan Nadja.

‘Ik heb ook pijn.’

‘Oei.’

Dan wil Nafiso laten zien dat de dokter haar rug rechter heeft gemaakt. Voorzichtig komt ze uit bed en gaat staan. ‘Ik ben gegroeid, toch?’

‘Knap hoor,’ zegt Nadja.

‘Ik wil naar huis, ik vind het saai hier. Ik weet niet wanneer ik naar huis mag, misschien vrijdag pas.’

 

Om haar op te vrolijken, halen we een rolstoel en nemen haar mee naar de Ronald McDonald huiskamer. Daar is een glazen lift waar maar één rolstoel in past. Je moet de knop voor omhoog of omlaag ingedrukt houden. Nafiso vindt het eng. ‘Gaat goed, gaat goed,’ zegt Nadja.

Terug op de afdeling vragen we de verpleegkundige wanneer ze naar huis mag.

‘Als het je lukt de trap op en af te lopen, mag je naar huis. Ik denk morgen of overmorgen,’ antwoordt de verpleegkundige.

Nu gaat Nafiso’s gezicht open. Een brede lach verschijnt. Nadja stuitert met een gilletje in haar rolstoel.

De blijdschap is wederzijds.