Nadja had geen beste bui toen ze zondag wakker werd. Mama ook niet, want het was pas zeven uur. Uitslapen lukte dit weekend niet, en daar was ze zelf ook chagrijnig over. ‘Probeer nog even te slapen,’ zei ik tegen beter weten in. Want als ze eenmaal wakker is, is ze wakker. Dus zette ik haar met een filmpje voor de tv en dook zelf nog even terug.

Toen ik beneden kwam om de zondagse ontbijttafel te dekken, kwam ze aangerold met ‘een goed idee’. Morgen ging ze goed uitslapen en dan moest mama haar daarna naar school toe brengen.

‘O nee, mevrouw, dat kun je vergeten. In het weekend slapen we uit, doordeweeks staan we vroeg op, punt uit.’

Ik wist dat ik stellig moest zijn én voet bij stuk houden, want ik voelde de bui al hangen. En ja hoor, die kwam! Ze heeft gegild, tegen de deuren gebonkt, met haar rolstoel gestuiterd, aan de ontbijttafel kwam ze niet en mama was heel stom. Terwijl ik met Jay een eitje pelde, probeerden we het kabaal te negeren en herhaalde ik als een mantra in mezelf: ik blijf rustig, ik blijf rustig.

‘Als jij zo blijft gillen, gaan we niet paardrijden hoor.’ Ik probeerde haar deur een stukje te openen, terwijl zij ertegenaan stond te bonzen.

Het werd stil. ‘Ik ga me nu aankleden,’ zei ik door de kier.

Toen ik beneden kwam, zat Nadja op haar bed, ze was bezig zich aan te kleden. Ik smeerde een wit bolletje voor haar en deed haar spalken aan. Ze reed zelf naar haar jas. In de auto zat ze stilletjes achterin. Wit van het boos-zijn.

Pas toen ze de paarden zag, kwam er een lach op haar gezicht. Ze zwaaide naar Pretty en aaide haar in haar hals. De cadans van het stappen maakte dat ze alsnog bijna in slaap viel.

Paarden. Magisch.