Woest komt Nadja uit de taxi. Met verwilderd haar, stampend op haar voetenplaat. ‘Ik wil niet…,’ de rest krijg ik niet mee, daar krijst ze te hard voor. Het is dat ze anti-kiep-wieltjes heeft, anders was ze gekukeld.

‘Hee, doe eens rustig, ik kan je zo niet begrijpen,’ zeg ik. Nadja stuitert nog even door, tot ze  eigenlijk ook wel een beetje moet lachen om haar eigen gedrag.

‘Ik wil in een gewone stoel. De rolstoel is om te wandelen.

’Even ben ik stil. Die zag ik niet aankomen. Snel denk ik na. Waarschijnlijk is dit idee in haar hoofd gekomen omdat ze volgende week met de klas drie dagen op schoolkamp gaan en er is besproken dat de rolstoelen van kinderen die normaal op school wel kunnen lopen, dan ook mee moeten, ‘om te wandelen’.

Ik besluit niet in discussie te gaan en haar proefondervindelijk te laten ontdekken wanneer het toch handiger is in een rolstoel. Trouwens, ik wilde toch zo graag dat ze meer oefende? Nou dan.

Dus, schuiven we nu met een eetkamerstoel in haar kamer van de televisie naar het bed en voor het eten terug aan de grote tafel. Morgen maar nieuwe viltjes halen, want de poten krassen inmiddels irritant over de vloer.

Geert, de taxichauffeur, laat haar naar de taxi lopen, luid roepend: ‘Stap, stap, stap, stap. Rustig aan. Niet rennen en niet lachen!’

 

Vooralsnog houdt ze dapper vol: lopen van de kamer naar het toilet, vasthouden aan de tafel tot de stoel in haar kamer staat en dan lopend ernaartoe. Maar, ze is slim genoeg om te bedenken dat de kinderboerderij te ver lopen is en stiekem mist ze het rolstoelblad als handig tafeltje én haar hoofdsteun.

Dus, als Jay zegt: ‘Goed blijven oefenen Nadja, dan kun je straks naar opa Teun lopen,’ schudt ze haar hoofd. Naar opa Teun gaat ze wándelen.