Vrijdag 17.00 uur. Ik breng Nadja naar het logeerhuis, alwaar zij enthousiast wordt ontvangen. Ze gaan kibbeling eten, Nadja blij, ik blij: het weekend is begonnen.

’s Avonds eet ik een hapje met een vriendin in de stad, daarna door naar een verjaardag.

Zaterdag. Ik word pas om half tien wakker. Half tien! Ik lees uitgebreid de krant, drink een kop koffie in de tuin en bedenk wat ik wil gaan doen. Ik fiets naar de stad, struin over de markt en loop zomaar eens binnen bij de Kunstuitleen. Weer thuis rij ik langs een nicht die ik lang niet heb gezien, bestel sushi met Jay en besluit later op de avond spontaan naar de Museumnacht te gaan.

Zondag ontbijt ik voor de televisie (doe ik nooit), rij langs mijn vader, rommel wat in de tuin. Ik hoef met niets of niemand rekening te houden, Jay gaat ook zijn eigen gang. Ik heb de tijd aan mezelf.

En dan is het drie uur. Tijd om Nadja te gaan halen. Vrolijk maar moe omhelst ze me. Ik laad haar tassen in de auto, zet de rolstoel vast en start de motor. K3 moet aan, o ja. Thuis moeten haar nagels in de regenboogkleuren worden gelakt, loopt de dvd van Ernst en Bobbie steeds vast en moeten de tassen weer opgeruimd. Wasmand vol, twee volle poepluiers, op tijd koken, kleren voor morgen klaarleggen.

Ach, veel van wat ik dit weekend heb gedaan, kan óók als Nadja thuis is. Tuurlijk. Maar dat ‘even-lekker-los-gevoel’, even zonder zorg, zonder vast ritme, geen antenne uit, niet in de aan-stand. Haar niet mee hoeven slepen, zo de deur achter me dicht kunnen trekken… wat ís het lekker!

Het voelde als een mini-vakantie.