Tijdens het avondeten moet Nadja hoesten. De rijst vliegt vanuit haar mond in de rondte en belandt gedeeltelijk in het bord van Jay.

‘Nou, ik hoef niet meer!’ zegt Jay met een van walging vertrokken gezicht. Hij schuift zijn bord van zich af.

Begrijpelijk, maar tegelijk met het verschoven bord, verschoof ook de sfeer – weer – aan tafel. Netjes eten is voor Nadja erg moeilijk, ze doet het heel knap met een verdikte lepel, maar desalniettemin zwiept er onderweg naar haar mond weleens wat naast haar bord. En boeren kan ze ook als de beste. Zo’n diepe boer die vanuit haar buik lijkt te komen. Vies ja.

Als je dan ook met een zoon van bijna achttien aan tafel zit, wil het weleens voorkomen dat broerlief een lesje opvoeding geeft.

‘Kijk Nadja, zó hoest je. Hij doet het voor met een hand voor zijn mond. En als je boert, zegt je sorry. Of pardon.’

‘Paddon,’ zegt Nadja.

Zover gaat het nog goed. Maar als Jay aanhoudt en blijft oefenen en opvoeden, is pubertje Nadja er klaar mee. Woest kletst ze met grote klappen haar lepel in haar bord, al gillend en krijsend. Bemoei je er niet mee! Dag gezellig samen eten.

‘Zal ik de opvoeding doen?!’ zeg ik dan.

Maar ik snap ze wel. Allebei. Jay vindt dat zij net zo opgevoed moet worden en dat ik te veel rekening hou met haar beperkingen en Nadja wil niet gekleineerd worden. Dilemma, dilemma.

‘Jay, je hebt gelijk, maar ze doet haar best. En haal jij je arm is onder tafel vandaan.’

‘Neem jij dan eens wat minder grote happen, er hangt wat uit je mond,’ kaatst hij terug.

Als manlief al opstaat voordat iedereen zijn bord leeg heeft, roept Nadja hem na: ‘Blijven zitten papa!’

Tja, die tafelmanieren. Er is voor alle vier nog werk aan de winkel.