Een middag met ups en downs

Het is woensdagmiddag. Klasgenootje Nafiso is mee naar huis gekomen om samen aan de slag te gaan voor de Sintviering op school. Er zijn lootjes getrokken en voor degene die getrokken is moeten ze een rijmpje maken en een cadeautje kopen.
Rijmen is best moeilijk, helemaal als Nederlands niet je moedertaal is, dus heeft Nafiso gevraagd of ik haar een beetje kan helpen.
We beginnen de middag gezellig met een lunch met witte bolletjes met kipknakworsten. Maar dan slaat de stemming om. Althans, bij Nadja. Ze wil niet rijmen en typen. Ze wil alleen een cadeautje gaan kopen en die wil ze per se de volgende dag geven.
Ik probeer haar uit te leggen dat de pakjes pas op 5 december worden gegeven, omdat Sinterklaas dan jarig is.
Ze gaat door het lint. Ze gilt en stuitert met haar rolstoel door de kamer. Ze verscheurt het kladje met daarop het gedicht.
Op school hebben ze het onlangs nog over boos worden gehad. ‘Niet gillen, niet slaan, niet gooien,’ herinnert Nafiso haar. Maar ze is niet tot bedaren te brengen. Pas als ik zeg dat ik dan alleen met Nafiso een cadeautje ga kopen, bindt ze in. In de Winkelhof is het weer gezellig. De meisjes wachten keurig op elkaar en houden hun ogen dicht als de ander het cadeautje afrekent. ‘Kom,’ zeg ik, ‘dan sluiten we af met een warme chocomelk.’ De dametjes genieten. ‘Het lijkt wel een beetje feest,’ zegt Nadja. ‘Ja, een leuke middag,’ beaamt Nafiso.
We lopen naar de lift. Vlak voor de deuren sluiten, stapt er een jonge, behoorlijk forse vrouw de lift in. Even is het stil. Dan zegt ze, vlak voor we op de begane grond zijn: ‘We hebben een Zwarte Piet in de lift.’ Ik kijk naar Nafiso, die voor zich uit staart. Zou ze het gehoord en begrepen hebben? Ik ben te verbouwereerd om snel te reageren. De liftdeuren gaan al open. Ik zet de meisjes in de auto terwijl ik met mijn ogen de vrouw volg. Ik sluit de autoportieren en loop naar haar toe.
‘Wat was dat nou net? Wat zei jij nou?’ zeg ik, mijn stem in bedwang houdend.
‘Wat?!’
‘Jij zei: we hebben een Zwarte Piet in de lift.’
‘Ja, nou? Jezus, het was helemaal niet lullig bedoeld, ik vond haar net een zwart Pietje. Je mag ook niks meer zeggen.’
Even overweeg ik om te zeggen: hoe zou jij het vinden als ik had gezegd er staat ook een nijlpaard in de lift? Maar ik beheers me en zeg:
‘Weet je wat mijn punt is? De associatie. Ze was niet verkleed, ze is gewoon zichzelf. Je keek naar een donker moslimmeisje met een hoofddoek maar je zág een zwarte Piet.’

Ik draai me om en loop weg. Ze zegt nog wat, maar ik sluit me ervoor af. In de auto zet ik lekker hard Kinderen voor Kinderen op. Nafiso’s lievelingsliedjes.