Nadja heeft voor haar verjaardag het boek De Gruffalo gekregen. Heerlijk boek. Op de voorkant staat een lief monster afgebeeld. ‘Wat is dat?’ vraagt Nadja, wijzend op het monster.

‘Dat is de Gruffalo,’ zeg ik.

Nadja bekijkt het plaatje. Je ziet haar denken. We lezen het boek. Duidelijk wordt, dat een klein muisje al haar dierlijke vijanden te slim af is met de verzonnen Gruffalo. Of bestaat hij toch?

Voor het slapengaan lees ik het boek nogmaals voor. Nieuwsgierig vraag ik haar daarna: ‘Wat denk je. Bestaat de Gruffalo echt of niet?’

‘Niet echt,’ zegt Nadja, maar ze twijfelt, dat zie ik. Het woord fantasie is de abstract voor haar. Ik leg uit dat als je een verhaal verzint, je ook woorden mag verzinnen en dat het verhaal er dan vaak spannender of leuker van wordt.

We krijgen een gesprek over woorden. Dat sommige woorden heel logisch zijn, zoals kniekous: kous tot je knieën. ‘Nee, sok!’ Zegt Nadja. Of washandje: je kunt er je hand in stoppen en je ermee wassen. En sommige woorden zijn moeilijker, zoals terrine: een aardewerk schaal (kwamen we tegen bij het kerstmenu) of muilkorf: als je de woorden muil en korf niet kent, kun je dat niet thuisbrengen.

 

Ook zijn er woorden die zomaar spontaan ontstaan. Zoals uitroepen: Woehaa! Joehoe! Of Hopsakee! Iedereen begrijpt ze.

‘Of Hoepla!’ roept Nadja. ‘Van het liedje!’ (Op een grote paddenstoel)

‘Inderdaad,’ zeg ik. ‘En wat betekent ‘hoepla’?’ plaag ik. Ik begin haar een beetje te prikken en te kietelen. ‘Zit jouw hoepla hier? Hier? Of hier?’

Nadja krijgt de slappe lach. Ze wijst haar billen aan.

‘O daar hè! Dáár zit jouw hoeplala.’

‘Hoepla!’ verbetert Nadja.

‘Hoepla,’ herhaal ik.

En dan is het tijd om te gaan slapen. ‘Lekker dromen,’ zeg ik.

‘Weltrusten,’ zegt Nadja.

Ik wil haar nog uitleggen dat welterusten van wel te rusten komt, dat ‘wel’ goed betekent enzovoort. Maar ze heeft het al begrepen. Ze slaapt al bijna.